Parashat Vayechi

Deze d'rasha was geschreven voor Sjabbat Vayechi en moest op 18 december 2010 gegeven worden bij Beit ha'Chidush te Amsterdam. Helaas was dit niet mogelijk door reis- en weersomstandigheden en stel ik de d'rasha zo ter beschikking.

Bereisjit 50:17 – 26, Parasjat Vayechi

Tot wasdom komen

Het einde van het begin en het begin van het einde. Ze vloeien in deze parasja, Vajechi, moeiteloos in elkaar over. Geruisloos als een schaduw bekruipt de Egyptische slavernij de Israëlieten. Vajechi is het slotakkoord van de veelstemmige en tegelijkertijd dissonante symfonie van het boek Beresjiet (Genesis) voordat er een nieuwe aanhef plaatsvindt in Sjemot (Exodus).

Het einde van het begin is ook het einde van het einde. Voor Josef, althans. Josef, de kleine jongen met de grote dosis gotspe. Wij maken Josef maar liefst dertien hoofdstukken mee en bespeuren al snel irritatie bij onszelf. Wie is die jongen met zijn brutale dromen? Intens gewenst door zijn gefrustreerde moeder, voorgetrokken door zijn vader en gehaat door zijn broers is hij het toonbeeld van het disfunctionele gezin. Hij is de opsomming van een proces dat al door Awraham in gang is gezet; een familie op zoek naar zingeving en zichzelf maar verscheurt door verwachtingen en verlangens. Josef erfde de trauma’s van zijn streberige vader Jaäcov, zijn grootvader, de zwijgzame Yitzchak en zijn overgrootvader, de gedreven Awraham. Dit familieleed lijkt het elke generatie sterker te worden. Josef’s karakter is verworden tot een concentraat; emoties, talenten en zwakheden uitgelicht en uitvergroot. Awraham streeft een visie na, Jaäcov is ambitieus en Josef ijdel. Ook de broedertwisten lijken intenser te worden: Jisma’eel en Yitzchak gaan elkaar verstandig uit de weg om uiteindelijk toch hun vader samen te begraven. Esav en Jaäcov hebben een openlijker conflict dat ook meer herstelwerk vereist. Josef en zijn broers spannen de kroon. Als een echo van Kaïn en Abel proberen de broers Josef te vermoorden. De gespletenheid en wraakzucht zijn compleet.

Het ochtendgloren komt na het duisterste van de nacht. Het einde opent een nieuw begin. Zo ook met Josef en zijn gebroken relaties. In de afgelopen weken hebben we met zijn saga mee kunnen voelen. Zou hij zijn broers kunnen vergeven? Zou er een tikkoen, een herstel, plaats kunnen vinden? Het scenario is al even intens gekleurd als Josef’s mantel: de machtige onderkoning van Egypte die de stoffige reizers in zijn paleis ontvangt. Dan breekt het licht door. In aanroeping van de Eeuwige beseft Josef dat het zo niet langer kan. Hij kan zich niet laten lijden door haat. Er is meer om voor te leven en van te houden. De broers komen tot elkaar en leven verenigd met hun vader in Egypte. Zeventien jaar lang leeft Jaäcov in Egypte met zijn zoons en zijn oogappels: Menasje en Efraïm, het eerste Joodse broederpaar dat geen twisten kent.

Het onvermijdelijke volgt. Een einde van een einde. Jaäcov zegent en sterft en laat een ambivalente nalatenschap na. De betovering lijkt verbroken en angsten herrijzen.

‘Vajaroe et Josef ki met abihem, vajomru loe jistemenoe Josef v’hasjew jasjiw lanoe et kol hara’a Asjer gamalnoe oto.’

Toen Josefs broers zagen dat hun vader overleden was, zeiden zei, ‘wat als Josef nog steeds een wrok tegen ons koestert en wraak zal nemen voor alle onrecht dat wij hem aan hebben gedaan?’ (Gen. 50:15)

De broers vallen terug in een slechte gewoonte: ze beramen achter Josefs rug om een plan. Toch zijn zij gegroeid want het plan is ‘mipnei darchei sjalom’, omwille van de vrede. Ze vertellen aan Josef een leugen om eigen bestwil. Jaäcov zou Josef opdragen om vergevingsgezind te zijn. Rabbi Elazar ben Rabbi Shimom merkt op in de Babylonische Talmoed dat het soms gerechtvaardigd is om te liegen. Mogelijkerwijs doorbreekt zo’n vertelling een emotionele impasse en toont aan dat de broers emotioneel tot wasdom gekomen zijn. Impliciet erkennen zij hun schuld en zoeken vergiffenis.
Deze woorden laten Josef, de machtige en rijke onderkoning, niet onberoerd. ‘Vajavach Josef bedabram elav’ – ‘en Josef huilde toen zij tot hem spraken . ’ De ijdele Josef is man genoeg om zijn emoties in de vrije loop te laten. Jarenlang verdriet en opluchting vloeien uit hem. Ook de broers houden het niet droog en knielen nederig voor hem neer.

Ontroerend is Josefs reactie: ‘Wees niet bang - ben ik een vervanging van God?’ Josef heeft een breder perspectief gekregen. Hij erkent dat uit het kwade het goede kan voortkomen. Hadden zijn broers hem niet in de put geworpen en als slaaf verkocht, dan was hij niet in Egypte terechtgekomen. Als onderkoning heeft hij zowel het Egyptische volk als zijn eigen familie weerstand tegen de hongersnood kunnen bieden. Pijn omgezet in daadkracht, egoisme in solidariteit. ‘Lahachajot am rav’—‘het overleven van vele mensen.’ Onderschat niet de kracht van persoonlijke transformatie.

Door boven onszelf uit te stijgen kunnen wij een positieve impact hebben op de wereld om ons heen. Tikkoen olam begint óók in onze eigen huiskamer en in de kamers van ons hart. Josef sprak ‘vanuit zijn hart’, met genegenheid—de familie blijft nu voor een laatste maal bijeen en Josef ziet zijn achterkleinkinderen opgroeien, liefdevol op zijn knieën, een echo van Menasje en Efraïm die op Josef’s kniëen zaten terwijl Jaäcov hen zegende.

En zo komt de saga tot zijn einde. Aan de glinsterende Nijl, in de schaduw van palmbomen en piramiden. De broers zijn oud en tevreden en Josef zegent zijn broers op zijn sterfbed. De God van Awraham, Jitzchak en Jaäcov zal hen herinneren en de uiteindelijke verlossing—de uittocht uit Egypte—brengen. Voordat Josef sterft wordt het joodse volk gerustgesteld. Dit is het einde van het einde maar tegelijkertijd ook het begin van het begin. Slavernij, leed, duisternis. Maar ook hoop en verlossing.

Als onze aartsvaders en aartsmoeders niet de unieke maar ook pijnlijke ervaringen hadden gehad, hadden zij misschien niet de kracht gehad om de schaduw van slavernij te overleven. Hoewel wij ook beschadigd worden door onze ervaringen worden we ook gesterkt. We worden gesterkt door innerlijke worsteling en groei, als engelen op de oever van de rivier de Jabbok. Het leven van Josef biedt ons hoop en perspectief. Hij is van ver gekomen, die kleine, ijdele, brutale jongen. Kracht, intelligentie vergevingsgezindheid, godsvertrouwen, liefde, moed—moed om kwetsbaar te zijn en om weer lief te hebben. Moge wij allemaal als Josef zijn. Niet de Josef aan het begin van het begin maar aan het einde van het einde. De Josef die tot wasdom is gekomen. Want een einde leidt altijd tot een nieuw begin.

Comments

Popular posts from this blog

Louisville/Pittsburgh Vigil: From Where Does Our Help Come?

All is One: the Jewish Path to Embodied Sanctity

What A Difference A Letter Makes